![]() |
Mijn journalistieke carrière begon met een beetje bluf. |
Op een vrijdagochtend eind april 1964 fietste ik van mijn werk bij Verkade naar huis om tussen de middag een broodje te eten bij mijn moeder in Zaandijk. Ik was bij de koekfabriek terecht gekomen omdat het Arbeidsbureau twee jaar eerder vond dat een jongen van vijftien niet 's avonds mocht werken en al helemaal niet op zondag en dat moest wel als ik mijn ambitie om verslaggever te worden wilde waarmaken.
Maar die vrijdag stond er een advertentie in 'De Zaanlander': Leerling-journalist gevraagd. Ik belde mijn chef bij Verkade. Hij heette Nan Los. Zijn zuster had het land in rep en roer gebracht doordat ze als actrice in een film als eerste vrouw in Nederland haar borsten had laten zien.
Een dame die haar natuurlijke vormen liet zien! Daar was Nederland nog lang niet klaar voor. Het halve land viel over haar heen. Nan was ook zo'n natuurmens.
Hij kampeerde graag zonder het comfort van gas, electra en stromend water uit de kraan in onduidelijke bossen en weilanden.
Wij zaten op de afdeling Werkvoorbereiding van de technische dienst en hadden veel contact met de monteurs. Los was erg in hun achting gestegen door het spectaculaire optreden van zijn zus. Hij was een jaar of 27, 28, maar ik sprak hem in de geest van de tijd aan als 'mijnheer.'
Dus ik pakte thuis de telefoon en belde hem met de boodschap: 'Mijnheer Los, ik kom vanmiddag niet, want ik ga solliciteren bij de krant'. 'Nou, spoorde hij me aan, succes en zorg dat je wordt aangenomen, want hier is het niks voor jou'.
Met die stimulans ging ik naar de Stationstraat in Koog, waar de redactie van De Zaanlander in het kantoortje van de Zaanlandsche Stoomdrukkerij van Evert Smit zat. Het grote loket ging open en ik zei: 'Ik kom solliciteren'.
'Kom maar binnen', zei mijnheer Harwijne, de redactiechef. Ik zakte in het spreekkamertje in een grote leren fauteuil en deed mijn zegje. Harwijne vroeg wat voor diploma ik had. In de advertentie stond dat er een HBS-er werd gevraagd. Dus antwoordde ik braaf: 'HBS', terwijl het eigenlijk niet meer dan de ULO op het Ezelspad in Zaandijk was, maar er werden verder geen moeilijke vragen gesteld en de volgende dag al belde de redactiechef met de boodschap dat ik aan de slag kon bij de krant. Missie geslaagd.
Later vernam ik van Han de Jong, de verslaggever die in zijn eentje Zaandam in de gaten hield vanuit een bijkantoortje op de Gedempte Gracht, dat Harwijne 's avonds met hem over mij had gesproken.
De Jong kende mij wel. Ik kon aardig voetballen en deed dat in het hoogste juniorenteam van ZCFC, waar hij zelf aanvoerder van de veteranenploeg was. Dus mijn bedje werd door Han gespreid.
Zo kwam er een onverwacht einde aan mijn carrière in de populairste koekfabriek van Nederland. Ik kende de tent van achter naar voren. Van de chocoladefabriek aan de Zaan met zijn tandeloze arbeiders (kwijt geraakt door jarenlang werk temidden van zoetigheden) tot de waxinefabriek, waar meiden aan Amsterdam acht uur lang pitjes in theelichten zaten te duwen.
Mijn taak was het motoren in de fabrieken op te sporen, de gegevens te noteren, twee gaatjes in de voet te boren en er een nummerplaatje op te spijkeren. Zo werd het machinepark in kaart gebracht en kon genoteerd worden wat er aan al die motoren gerepareerd werd en de tijd voor vervanging worden vastgesteld.
Maar ja, met zo'n a-technische jongste bediende moest dat natuurlijk wel fout gaan. En dat ging het ook. Op een kwade dag boorde ik twee gaten in een apparaat in de koekfabriek. Helemaal fout! De olie spoot er uit en de koekfabriek stond stil. Daarna was het gebeurd met mijn carrière als medewerker van Los. Het was dus maar goed dat ik een baantje bij een krant vond. Daar kon ik geen kwaad aanrichten.
In de vier jaar die ik bij De Zaanlander werkte passeerde er van alles de revue. Van de geitenfokkers in Assendelft tot de gemeenteraad van Jisp, waar wethouder Maarten Muis onze correspondent was en die je altijd wel een dorpsnieuwtje wist te vertellen.
Ik werd als voetballer gelijk ook tot sportredacteur gebombardeerd en op steenkoude winterdagen werd ik de kou ingejaagd om kortebaanwedstrijdjes te verslaan.
Zo arriveerde ik in december 1964 in het gehucht Nauerna, tien kilometer van de warme redactie in de Stationstraat.
Ik ploeterde op mijn fiets door de sneeuw. Trotseerde acht graden vorst en ijzige oostenwind voordat ik de veilige deur van café Vislust achter me dicht kon trekken. De ijsbaan lag pal achter de kroeg.
De deelnemers zaten met hun schaatsen aan en een warme sjaal om de nek aan de bar. Af en toe ging de deur open en schreeuwde een jurylid: 'Nummer 2 en nummer 18'. Of een paar andere nummers. De slachtoffers stommelden naar buiten, reden hun rit en klûnden weer terug naar de bar, waar ik ze ondervroeg over hun activiteiten. Het was te bar om naar buiten te gaan.
De supporters deden dat ook niet. Die zaten aan grote bakken snert, opgeschept uit een reusachtige pan die op een hevig loeiende potkachel in het café stond.
Ze nipten aan zeer kleine glaasjes met een donkerrood drankje er in. 'Wat is dat', vroeg ik als zeventienjarige onnozele verslaggever. 'Beerenburg,' zei een aardige kerel met een druipsnor en een pet achter op zijn kop.
Hij zag er uit of hij elke dag in de modder zat te wroeten, maar dat kon nu natuurlijk even niet, want alles was bevroren. Hij leek wel wat op de aardappeleters van
Van Gogh. 'Moet je er ook één', vroeg hij vriendelijk. 'Tuurlijk', zei ik en zo maakte ik kennis met de Friese landwijn die mij mijn hele leven zou blijven achtervolgen.
Rond een uur of half zes was het gedaan met wedstrijd. De winnaar was bekend en werd uitbundig gehuldigd door het eveneens uitbundige publiek. Ik strompelde naar buiten, groef mijn fiets uit de sneeuw en vocht me tegen de oosterstorm in terug naar Koog aan de Zaan. Het was een hectische middag geworden, waarin ik voor altijd verslingerd bleef aan dit soort oerhollands vermaak.
Ik wankelde half bevroren de redactie binnen. Niemand keek op of om en chef Harwijne, die één van onze nieuwtjes zat te bewerken voor het ANP, waar hij correspondent van was, gromde over zijn Underwood heen: 'Vijftien regels Ron en ga straks even naar Krommeniedijk, want daar is vanavond een langebaanwedstrijd'!
Dus stortte ik mij driekwartier later weer in de helse winternacht. Tien kilometer naar de andere kant van de Zaanstreek. Zo ging dat voor een leerling-verslaggever die op zo'n dag vanzelf in een ijspegel veranderde.
Op dinsdagochtend ging ik altijd naar het kantongerecht, waar verkeersvlegels tot vijf gulden boete werden veroordeeld omdat ze hun hand niet hadden uitgestoken toen ze rechtsaf gingen of een tientje moesten betalen omdat het licht van hun fiets het niet deed, terwijl het al begon te schemeren.
De perstafel was net breed genoeg voor twee personen, maar het was dringen geblazen. Ik moest dat tafeltje delen met Jan Hottentot van De Typhoon. Hij was een imposante figuur die in zijn lange leren jas door de Zaanstreek snorde op zijn brommer. Maar als je bij De Zaanlander werkte was je zijn vijand.
Vier jaar lang maakte ik Jan mee aan dat veel te kleine tafeltje en nooit zei hij een woord tegen me. Hoe vaak ik het ook probeerde. Jan zweeg en keek me haast bestraffend aan: hoe waagde ik het in hemelsnaam het woord tot hem te richten!
De wraak kwam in het laatste jaar bij De Zaanlander. Er was een afspraak tussen de brandweer en de redacties. Als er 's ochtends brand uitbrak werd De Typhoon gebeld en die waarschuwde ons en als er na zes uur 's avonds brand was gebeurde het omgekeerde.
Op een avond sloeg omstreeks elf uur de vlam in de pan in de snackbar bij het café van Theo Stam bij de Noorderbrug in Koog aan de Zaan. Wij hadden net onze laatste treinbrief met kopij naar Alkmaar verstuurd waar de krant werd gedrukt, dus de hele redactie rukte uit naar de plek van de ramp.
Han de Jong voorop op zijn bromfiets. Jan Prins, later hoofdredacteur van het Rotterdams Dagblad, Henk Kuijt, die in dezelfde functie bij De Gelderlander terecht kwam, Jan Piet, die lang voor het NOS-journaal zou werken, Peter Kok, die veel te vroeg overleed en ik er achter aan.
Het werd een gezellige avond. De brand was snel geblust en Theo nodigde spuitgasten en verslaggevers uit in zijn café. 'O ja, zei Han de Jong, ik ben nog wat vergeten'. Hij pakte de telefoon en belde Jan Hottentot uit zijn bed.
Hij woonde in Oostzaan, een kilometer of vijftien van de brandhaard. 'Brand bij Theo Stam in de Koog, Jan', luidde de boodschap. Een half uur later arriveerde Jan Hot, zoals wij hem noemden, op zijn brommer, compleet met leren jas, alsof hij de TT van Assen moest rijden.
't Was al over twaalven en de stemming zat er goed in. 'Hoi, Jan', riepen we. 'De brand is al uit. Kom er bij'. Nog nooit heb ik iemand zo horen vloeken. Hij kon dus toch praten!
Tekst: Ron Couwenhoven
